Frank & Koen Theys


Sinds 1984 werken Koen en Frank Theys samen aan “Lied van mijn land”: een video-adaptatie van de operacyclus "Der Ring des Nibelungen" van Richard Wagner. "Rijngoud", het eerste deel, kwam uit in 1986 en kreeg onmiddellijk ruime aandacht in de kunst- en videowereld. Het werd geselecteerd op festivals, vertoond in musea doorheen Amerika, Europa, Japan. Op 3 maart '89 ging het onlangs voltooide “De Walkure” in première in het “American Museum of the Moving Image”, samen met een expositie van het scenarioscript, en de vertoning van ”Rijngoud”.
In een persoonlijke stijl, slaagden de twee Jonge Vlaamse kunstenaars erin om de complexe kosmologie van Wagner te vertalen naar onze tijd met de nieuwste audio-visuele technologieën. Een videoclip op Wagner zou je het kunnen noemen. Een gesprek met beiden over hun jongste werk.

- Waarom Wagner, wat boeide jullie in Wagner’s muziek?

- Frank: We hoorden die muziek graag. De "Ring" boeide ons qua thema en het verhaal vonden we beiden zo spannend dat we besloten Wagner te nemen. Koen studeerde aan het Sint-Lukasinstituut, hij zat op de filmafdeling. Daar hadden we de mogelijkheid om met de video-apparatuur te werken, omdat de meeste studenten alleen maar met 16 mm. wilden werken. Videocamera en montagetafel waren praktisch altijd vrij. Daar hebben wij gebruik van gemaakt. Zo zijn we stillaan ons concept beginnen opbouwen.

- Koen: We wilden met de beelden werken als leitmotieven. We filmden een aantal beelden en die gebruikten we als basismateriaal om kombinaties te maken, om telkens andere beelden te vormen, om verwijzingen te maken. Geen enkele van onze eigenlijke shots zijn op zichzelf bruikbaar. De beelden worden samengesteld uit elementen zoals bij een collage. We probeerden een alfabet samen te stellen met beelden, om een beeldtaal te bekomen. Dat alfabet werd alsmaar groter en groter en gecompliceerder. We wilden niet gratuit werken, geen beelden om de beelden. Elk beeld moest een betekenis hebben. Dat had Wagner ook gedaan in zijn muziek, nml : aan elke melodie gaf hij een betekenis, kende hij een taal toe. Dat wilden we ook doen, maar dan met beelden. De muziek heeft ons uiteraard geholpen bij de keuze van onze beelden.

- Frank: En gaf het ritme aan van de montage.

- Voor de klankband werd de versie van Herbert von Karajan met de Berliner Philharmoniker gebruikt. Jullie hebben de rechten verkregen las ik?

- Koen: Ja, die hebben we verkregen voor gans de “Ring” van Sabam. Ik weet niet juist hoe het gegaan is, maar goed, we hebben ze.

- Frank: We hebben dat eigenlijk te danken aan Serge Dorny. Hij heeft voor ons onderhandeld met Deutsche Grammofon.

- Koen: Dat was een van de eerste voorwaarden. Toen het eerste deel bijna af was zijn we daarvoor gaan zorgen. Zonder die rechten bleef de video onherroepelijk in een marginaal circuit.

- Frank: We kozen voor de versie van von Karajan omdat de stemmen echt de karakters van de personages weergeven.

- Beide delen werden gemaakt in co-produktie met RTBF. De bedoeling is ze op teevee te krijgen. Wanneer worden ze uitgezonden?

- Koen: Dat weten we nog niet. Er zijn problemen met de programmatie. We zoeken naar zoiets als de honderdjarige dood van Wagner, of anders organiseert RTBF een Wagneravond. In elk geval werd het eerste deel al op alle mogelijke video-festivals getoond. Met het tweede deel zal dat ook gebeuren. Verder zal de RTBF ze proberen te verkopen aan andere stations.

- Is het een dure produktie?

- Koen: In vergelijking met andere produkties, waar al snel 100 man aan werkt voor een programma van een half uur, is de kostprijs denk ik dezelfde.

- Frank: In normale gang van zaken zou het een dure productie zijn. Maar we konden voor een lage prijs in de studio Voque Trading in Kortrijk werken tijdens de week-ends. De effectenmachine konden we zelfs gratis gebruiken. Daar zijn we Ronny Courtens dan ook zeer dankbaar voor. De co-productie met RTBF hebben we te danken aan Jean-Paul Tréfois en de klankmixage hebben we in de studio’s van RTBF Liège kunnen doen. Van Greet Van Broeckhoven van het ICC kregen we cassettes. Jan Florizoone van de Beurs zorgde voor administratieve hulp, en zorgt voor de distributie. De eindmontage en de synchronisatie konden we realiseren dank zij Johan Van Heddegem van de audio-visuele dienst in Leuven. Verder kregen we financiële steun van het Noordstarfonds Gent, en van het Ministerie van de Vlaamse gemeenschap.

- Koen: We hebben 100 dagen studio nodig gehad voor de speciale effecten.

- Frank: Maar het is enorm interessant werk. Je kan constant het hele scherm controleren en onmiddellijk veranderen. Het is zoiets als schilderen of collages maken, maar het gaat vlotter. Het is boeiender omdat het beeld op de koop toe beweegt.

- Koen: Voor één effect heb je zeker 20 à 30 min. nodig. Dus als een beeld uit vier vijf generaties bestaat heb je al gauw 2 à 3 uur nodig. Maar ja, het is natuurlijk een zottitude geweest om daaraan te beginnen.

- Anders dan een gewone film is dat jullie begonnen met de klankband, zoals bij een videoclip?

- Frank: Eigenlijk is het een videoclip op Wagner.

- Koen: Maar niet de videoclip met al zijn clichés. In een clip zie je gelijk wat. Het zijn gratuite beelden op muziek. Dat gratuite hebben wij proberen te vermijden. De muziek heeft ons uiteraard geholpen bij de keuze van de beelden. Maar omgekeerd zijn we dan ook vanuit het beeld de muziek gaan manipuleren. Het was een constant zoeken om beiden samen te krijgen. Op het einde van het tweede deel vallen beide echt samen, wanneer er een electronisch beeld gemaakt wordt dat langs de klank wordt gestuurd.

- Frank: Op het moment dat Brunhilde uit de schare van Wotan gebannen wordt, wordt zij eigenlijk uit de muziek van Wagner gestoten en valt de muziek weg en begint zijzelf de muziek van Wagner te zingen.

- Hoe werden de coupures gemaakt in de muziek, op partituur of op de tekst ?

- Frank: Alletwee. Dat is zeer pragmatisch gebeurd. We hebben ingekort daar waar wij vonden dat het kon nml. in de lange monologen en vertellingen, omdat wij die overbodig vonden. Ik bedoel : Je kan de opera's van Wagner vergelijken met oude films, bijvoorbeeld de Nibelungen van Fritz Lang. Als wij nu anno '89 met onze beeldcultuur die film zien, willen we knippen, die film verloopt traag. Maar bij het begin van de negentiende eeuw had men die beeldcultuur nog niet. Het moest traag gaan, anders konden ze het beeld niet vatten. Tegenwoordig is een fractie van een seconde van een close-up voldoende om een emotie te begrijpen. Ik denk dat dat bij Wagner ook het geval moet geweest zijn. Hij had soms verschillende minuten nodig om een emotie verstaanbaar te maken. Nu kan dat korter, zeker met video. Vandaar dat we gemakkelijk konden knippen, zonder het werk van Wagner, ons inziens, te vulgariseren.

- Als kijker heb je, vind ik, niet de indruk dat het om acteurs gaat. Het lijken voorwerpen, decorstukken.

- Frank: Dat is het gevolg van de montage. Je kan mensen uitrekken, dan worden het reuzen, je kan mensen inkrimpen, dan worden het dwergen enz…

- Koen: Wij kennen ook aan de personages thema's toe, zodat je later als ze terug komen verwijzingen krijgt, terugwerkende ideeën.

- Frank: Ik vind het boeiend personages als decorstukken te gebruiken en decorstukken als personages, en die twee werkelijk op elkaar in te laten werken. Wagner doet dat ook. Hij laat werkelijk alles leven. Alles wordt muziek, bergen, vogels, bossen, draken hebben allen hun eigen melodie, hun eigen stem. Zo kan je in video ook alles doen leven.

- Koen: Alles doen leven?

- Frank : Je kan alles laten bewegen, en op die manier een beeldtaal bekomen, zodat je eerder met het beeld spreekt dan met de personages.

- Koen: Personages worden decor, maar decorstukken worden ze niet. Wotan is op zeker moment een toren in de beeldcompositie.

- Frank: De toren beweegt en hakt en drukt de razernij van Wotan uit.

- Jullie videofilm vergelijken met een operacaptatie voor teevee heeft geen zin, maar wat vinden jullie van zulke opnames ?

- Koen: Ze zijn inderdaad niet te vergelijken. Het is niet omdat het bijvoorbeeld ook om een opera van Wagner gaat dat je het kan vergelijken. De teeveeproduktie van Chereau’s “Ring” is interessant als document. Maar het straffe is wel dat die produktie wel eerder zal uitgezonden worden dan wat wij speciaal maakten voor teevee. Nu is het wel zo dat zij die zo'n registratie maken denken dat ze daarmee de opera geproduceerd hebben. Maar eigenlijk doen ze niets. Ze komen op het moment dat alles af is met drie camera's, volgen het gebeuren, monteren een beetje en ze hebben zogezegd een opera voor de teevee gemaakt. Dat is absurd. Ze maken gewoon een reproductie van een bestaand werk en transponeren het naar een ander medium. Het is veel interessanter om een nieuw werk te maken, speciaal voor teevee.

- Frank : Bij een captatie past de teevee zich aan aan de tijd van het scènegebeuren. Dat klopt niet. Televisie heeft een ander ritme en een ander contact met het publiek, communiceert op een andere manier. Bij een operacaptatie bekom je zoiets als een reproductie van een schilderij in een kunstboek. Dan heb je “een idee” van wat het echt zou kunnen zijn, maar daarbij blijft het.

- Hoe werd jullie video in New York ontvangen?

Koen: We hebben nog geen geschreven kritiek gekregen. Maar het publiek was zeer enthousiast. Zoals hier met de persvisie. In New York was er iemand van het Goethe-instituut en zij had zich tijdens de projectie afgevraagd of Wagner ons werk zou appreciëren. Ze dacht van wel.

- Welk werkproces heeft het meeste tijd in beslag genomen?

- Koen: Het scenario. De grote lijnen stonden van tevoren vast. Alles werd uitgetekend tot in de details, alle effecten. We wisten met de tournage exact wat we wilden.

- Frank: Het scenario schreven we elk appart. Later werden de resultaten naast elkaar gelegd. Dan wordt er gediscuteerd. Dan herbeginnen we tot de één de ander kan overtuigen van zijn gelijk. Dan wordt er gedraaid, en dan komt de postproduktie, het studiowerk.

- De beelden bestaan uit verschillende beelden op elkaar. Hoeveel generaties eigenlijk ?

- Koen: 5 ,6 soms 7, wat veel is.

- Frank: Met de verschillende generaties hehben we ook rekening moeten houden in het scenario. De eerste generatie heeft altijd verlies. Voor de achtergronden kan dat, die mogen wat waziger zijn. Als de personases op de voorgrond maar duidelijk zijn. Zoals op een foto eigenlijk.

- Voor wanneer het derde deel ?

- Frank : Dat hangt af van de mogelijkheden die we krijgen. Voor video is er, zeker in Vlaanderen, weinig infrastructuur. Er zijn geen producenten. 95% van onze tijd besteden we aan het zoeken naar productiemogelijkheden, naar contacten enzo. Het ministerie heeft voor video nauwelijks een budget. Dus als het allemaal van onszelf moet komen! Om optimaal te werken zouden de produktiemogelijkheden moeten groeien. Daarvan hangen de volgende delen dus af. Maar bij ons beiden blijft het idee van de “Ring” doorspelen, zelfs al zouden we andere dingen doen.


Yolande Poulin – DEZE WEEK IN BRUSSEL
05.04.1990

back